De overweg
Ongeveer 1 minuut lezen
In dit hoofdstuk: Les 8 van 8 · 9 min

Een overweg rijd je niet op zodra:
- de slagbomen bewegen of dicht zijn;
- de twee rode lichten om beurten knipperen;
- het geluidssein werkt.
Je stopt dan vóór de stopstreep, of vóór het licht als er geen streep is. Dat geldt voor iedereen, ook voor voetgangers.
Een maanwit knipperlicht betekent het omgekeerde: je mag de overweg oprijden.

Zijn er geen slagbomen en geen lichten, of werken ze niet, dan rijd je pas op als je zeker weet dat er geen trein komt. Wees aan een overweg altijd dubbel voorzichtig. Kun je aan de overkant niet verder, rijd dan niet op: je zou op de sporen blijven staan.
Oefenen komt eraan
We werken aan een oefenapp.