Licht bij stilstaan en parkeren
Ongeveer 1 minuut lezen
In dit hoofdstuk: Les 4 van 6 · 6 min
- Wanneer moet je licht voeren?
- Dimlicht en grootlicht
- Mistlichten
- Licht bij stilstaan en parkeren
- Waarschuwingsknipperlichten en claxon
- Rijden in een tunnel
Staat je auto stil of geparkeerd op de rijbaan of de berm, ‘s nachts of bij zicht onder ongeveer 200 meter, dan brandt er:
- vooraan één of twee witte of gele standlichten;
- achteraan één of twee rode lichten.
Dat hoeft niet als de straatverlichting je auto van op ongeveer 100 meter duidelijk laat zien. In een gewoon verlichte straat mag je auto dus donker staan.
Bij mist, sneeuwval of felle regen mag je ook het dimlicht of het voormistlicht laten branden, en het achtermistlicht. Het moet niet.
Binnen de bebouwde kom mag één parkeerlicht de standlichten en de rode lichten vervangen:
- je auto staat evenwijdig met de rijbaan;
- er hangt geen aanhangwagen aan;
- alleen het parkeerlicht aan de kant van het verkeer brandt, dus aan de kant van het midden van de rijbaan.
Oefenen komt eraan
We werken aan een oefenapp.