Rijden in een tunnel
Ongeveer 1 minuut lezen
In dit hoofdstuk: Les 6 van 6 · 6 min

In een tunnel zie je bijna nooit 200 meter ver, dus rijd je er met dimlicht, ook overdag. Zet het aan en je zonnebril af ruim vóór de ingang.
Het bord Tunnel kondigt een tunnel aan van meer dan 500 meter; een onderbord kan de lengte en de naam geven.
In een tunnel:
- stilstaan en parkeren op de rijbaan mag niet;
- keren en achteruitrijden doe je niet;
- houd je meer afstand dan buiten, want er is meestal geen pechstrook.
Bij pech of een ongeval zet je de auto zo ver mogelijk rechts of in een pechhaven, vier pinkers aan, motor uit. Trek je fluohesje aan voor je uitstapt. Bel met de noodtelefoon in de tunnel, of anders 112.
Bij brand of rook:
- kun je nog vooruit naar buiten rijden, doe dat dan;
- anders zet je de auto rechts, motor uit, en laat je de sleutel in het contact (of de sleutelkaart in de auto);
- ga te voet naar de nooduitgang. Groene borden wijzen hem aan, met de richting en de afstand, en luidsprekers geven instructies;
- keer niet, rij niet achteruit en blijf niet in je auto wachten.
Oefenen komt eraan
We werken aan een oefenapp.